Hoofdstuk 1

-6-

Geen idee hoelang mijn moeder mij zo had laten zitten. Ze moest hebben gezien dat ik ze nauwlettend had geobserveerd, maar ze zei er niets over en ik ook niet, hoewel het me diep raakte. Ik was niet jaloers maar dankbaar, waardering en verdriet konden blijkbaar samengaan. Dankbaar omdat ze elkaar gaven wat zover van mij lag verwijderd, de veiligheid van een familie, de warme deken van het samenzijn. En ik? Ik stond daar onbedekt onder de eindeloze hemel te wachten op… op niets. Uiteindelijk bracht mijn moeders hand mij terug in een wereld waarin het gouden licht en ik wel participeerden maar niet samenvielen. Ouderdomsvlekjes zetten me terug in de tijd. Ze vroeg bedaard of ik zover was om verder te wandelen. Eigenlijk was ik dat niet. Eigenlijk had ik nog langer naar de Zwitserse familie willen kijken en alles wat dat symboliseerde. Eigenlijk miste ik iets wat ik nooit had gekend.

‘Daar!’ Kordaat wees ze naar de hut onder ons. ‘Kom, dan lopen we samen naar beneden.’

We staken de col over en vervolgden het pad richting de Refuge. Ik liet haar voorgaan omdat het pad te smal was om naast elkaar te lopen.

‘Anzeindaz.’ Ze keek achterom en toonde een lach als de Zwitserse moeder.

‘Anzeindaz’, herhaalde ik, maar wel zo zacht dat ze het niet hoorde. De naam die in de ochtend nog zo betoverend had geklonken, klonk ineens dof. Het was een woord geworden waar alle glans vanaf was gepoetst, een diamant waarvan de fonkeling was verdwenen. Ik begreep wat beter wat mijn moeder met het woord bestendig had bedoeld. Geluk was even ongrijpbaar als een zalm in een snel stromende beek.

 

‘Kun je me vertellen waarom je nou zo teleurgesteld bent?’

We hadden een plekje in de stube gevonden, het vertrek in de hut waar het eten werd geserveerd. Ik was liever buiten gaan zitten, net als die familie, maar mijn moeder wilde naar binnen omdat er wolken voor de zon waren gekropen. Ze keek me streng aan en verlangde een antwoord met haar blik. Ik haalde mijn schouders op en staarde door de vensters naar de bergen. Mijn verliefdheid was niet bekoeld, maar de voorstelling op de col had me wel aan het denken gezet. Hoe kon ik haar vertellen dat ik daar boven werd herinnerd aan die ene middag toen ik per ongeluk door een kier de badkamer in had gekeken en zag wat ik nooit had mogen zien? Hoe graag ik het ook had willen vergeten, dat beeld stond voor altijd op mijn netvlies gebrand. Als er een pil bestond voor geheugenverlies dan had ik hem terplekke ingenomen.

‘Waarom zeg je nou niet gewoon wat er aan de hand is?’

Ik kon het niet, ik kon het gewoon niet. Zwijgend staarde ik door één van de raampjes. De stilte viel zwaar en verstikkend als een mistwolk die ons amputeerde van de realiteit. We wisten niet welke kant we nog op konden en raakte gevangen in een vacuüm van het moment. Zij onwetend, ik wist veel te veel en dat vué instantané leek ons oneindig gevangen te houden. Tenslotte werden we gered door de huttenwaard die kwam vragen wat we wilden gebruiken. De wolk trok op, we waren gelukkig niet geïsoleerd van de wereld geraakt. Mijn moeder bestelde een apfelstrüdel en thee en ik daarom ook maar, al had ik helemaal geen trek. Ze legde haar hand op die van mij.

‘Het komt niet door ons hoor dat je vader is weggegaan. Hij heeft die keuze gemaakt en niet wij, maar daar moet je hem niet voor veroordelen.’

Ik keek naar de rood met witte gordijntjes voor de vensters en de paarse bloemen in de bloembakken daarachter. Haar woorden maakten me boos, want ik begreep het niet. Hoe kon ze nou zoiets stompzinnigs zeggen? Opnieuw dacht ik aan wat ik door die kier bij de deur had gezien en natuurlijk ook aan de momenten die daarop waren gevolgd. Kwaad om het gebeurde wilde ik mijn hand wegtrekken, maar dat stond ze niet toe. Ze hield hem stevig op tafel gedrukt en keek met een onbewogen blik terug. Zou ze toch hebben geweten wat ik wist?

‘Er liggen oneindig veel persoonlijkheden in ons opgesloten en we kunnen alles worden wat we maar willen. We zijn geen vastgestelde mensen, we hebben geen onveranderbare eigenheid. Jij bent net zo mooi als ik en ik ben even zo lelijk als jij.’

Hoewel ik dat niet begreep, was ik het instinctief niet met haar eens. Maar mijn beperkte competentie zorgde ervoor dat ik nog geen weerwoord kon geven en door die onmacht verbrokkelde haar logica en moraliteit zoals wel vaker tot abstracties. Losse korrels zand waarvan ik geen kasteel kon bouwen. Ik begreep haar niet en probeerde haar ook niet meer te begrijpen en ik liet mijn hand bewust onder die van haar gevangen houden, want wie maakte zich druk over het ontbreken van een toevluchtsoord wanneer hij werd beschermd door de warmte van zijn moeder?

‘Ons karakter wordt langzaam gevormd door de voorvallen in ons leven. Alles wat we meemaken, draagt bij tot wie we nog worden. Dus toen jouw vader ervoor koos om ons achter te laten en de deur zwijgend achter zich dicht te trekken, heeft hij dat ongetwijfeld met een goede reden gedaan. Voor hem dan.’

‘Lekker makkelijk’, beet ik terug.

-6-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon