Hoofdstuk 1

-5-

Vlak boven de vloedlijn scheerde de eenzame meeuw voor me langs. Ik zwaaide naar hem zoals ik naar mijn moeder had gezwaaid. Toen niet overkoepeld door een grijze oneindige lucht, maar veilig onder een blakende zon in Solalex, bij de gele routebordjes. Wachtend op haar, maar daar nauwelijks toe in staat omdat ik zo ongeduldig was. Villars naar links, vijftig minuten. Col des Essets naar rechts, twee en een half uur. Refuge Anzeindaz in dezelfde richting, maar nog een uurtje verder. Eindelijk zomer, eindelijk Zwitserland. Een voorjaar had nog nooit zo lang geduurd.

‘Het is een rondwandeling. Solalex, Col des Essets. Essets, refuge Anzeindaz. Anzeindaz en weer terug naar Solalex. De tocht duurt misschien wel vijf uur dus probeer je krachten een beetje te sparen.’ Ze wees met haar vinger richting het gehucht en deed haar rugzak om. ‘Daar moeten we naartoe.’

Ik wilde onderwijl al in die richting spurten, maar ze wist me nog net tegen te houden. Lachend wees ze op mijn veter en ik schaamde me want ik had toch niet goed opgelet. Maar ik wilde ook zo graag naar de plekken die ze had opgenoemd. Ik wilde zo graag zien of ik daar het gouden licht van Friedrich kon ontdekken.

 

De golven rolden snel tot mijn voeten en trokken zich even gehaast weer terug. Het was de wind die het meeste van mijn sigaret rookte, maar dat kon me niet schelen. In de verte dwaalde nog altijd de schim die ik afwezig gade sloeg, want ik waande me nog altijd in die herinnering op weg naar Anzeindaz. De grillige rotsen als decor, de warme zon op mijn huid. Nauwlettend had ik de bordjes gevolgd en zorgvuldig had ik de route gelezen. Toen de col uiteindelijk in zicht kwam, kon ik mijn ogen niet geloven. Dat was het moment waarop ik verliefd op de bergen was geworden en ik wist instinctief dat die liefde voor altijd zou blijven bestaan. Voor het eerst in mijn leven voelde ik me compleet en het leek of ik besefte wat gelukkig zijn betekende. En dat door een paar bergschoenen en gelukkig niet door een sufplank. Ik wilde het haar zeggen, maar ik kon het haar niet zeggen. Ze was nog nergens te bekennen.

Uitgelaten liep ik tot aan de col en ik kreeg een uitzicht geboden op de andere kant van de berg. Het had inspanning gekost, veel meer dan op mijn verjaardag, maar wat ik daarvoor kreeg te zien, was prachtig. Een paar honderd meter onder mij lag in de alpenweide een hut.

‘Anzeindaz’, fluisterde ik. ‘Refuge Anzeindaz.’ Ik genoot van de betovering van die woorden en overzag het indrukwekkende panorama van de grijze rotsen en de groene weiden waarin refuge Anzeindaz lag verholen. De vrouw met de parasol knikte naar de eenzame monnik en het licht van Casper David drong door tot op de straat van Caillebotte. Romantiek en Impressionisme waren verschillende dingen, maar lagen weldegelijk in elkaars verlengde. En net toen ik mijn gevoel van zulke gelukzaligheid in woorden uit wilde drukken, hoorde ik gepraat. Van achter een grote rots kwam een jongen tevoorschijn. Hij was van mijn leeftijd, droeg een donkere broek en had ook bergschoenen aan.

 

‘Grussgott!

Zijn woorden klonken korrelig en teer, rolden tot aan mijn schoenen en keken me onbegrepen aan. Verlegen knikte ik zonder iets te zeggen want ik snapte hem niet en ik wist me geen raad met die situatie. Lang kon ik me daar niet druk over maken want al snel verscheen er een meisje. Broer en zus, dat was duidelijk. Ze had mooi donker haar dat bij iedere stap zachtjes over haar schouders wiegde. Ze was knap en ze lachte naar me, dat maakte me nog onzekerder. Ik had graag iets tegen haar gezegd, maar ik kende de woorden van haar taal niet. Dus zweeg ik opnieuw.

Daarna volgden haar ouders. ‘Grussgott’, klonk het opnieuw.

Zacht stotterde ik datzelfde woord terug. Voor het eerst sprak ik de Duitse taal.

Ze liepen een stukje naar beneden en gingen daarna uit de wind op een mooi plekje zitten. Ze besteedden geen aandacht aan mij, ik wel aan hen. Ik bleef gebiologeerd staan staren naar hun handelingen. Het raakte me, oneindig en eindeloos. Op de Col des Essets lagen geluk en verdriet dichter bij elkaar dan ooit.

Hun rugzakken belandden met een plofje in het gras. Het meisje ging iets afzijdig van ze zitten, zij had er geen gedragen. Ze keek mooi glazig om zich heen en ik vond haar bijna net zo mooi als de bergen. De vader en de moeder maakten de lunch terwijl de jongen bij een riviertje ging zitten spelen. Hij zocht naar stenen om een dam te maken. Het lukte. Langzaam ontstond er een meertje en de stroom zou nooit meer hetzelfde zijn. Het meisje had er geen oog voor, leunde loom tegen een grote rots en sloot haar ogen voor het zonlicht, maar ik zag dat ze door minuscule spleetjes naar mij zat te gluren.

Ik had graag oog voor haar gehad, maar dat ging niet. Haar kleine lach die me eerlijk en oprecht leek, werd nooit meer dan een vage veeg. Ik moest denken aan wat mijn moeder had gezegd over houvast en controle, en ik vroeg me af of zoiets inderdaad niet bestond. Ik zuchtte gelaten en voelde mij als de monnik in het schilderij, want wat was die oneindigheid ineens heel dichtbij. De denkbeeldige vinger van mijn moeder wees naar de tastbare vader die brood en een broodplankje uit zijn tas haalde. Hij lachte naar zijn vrouw en zij lachte terug, haalde bekers en een pak melk uit haar rugtas, schonk ze vol en zette ze op een platte steen. Ik keek ademloos toe. De voorstelling was mooi, maar trof me als een mes in mijn hart. Een dreigend geluk drong zich aan me op, zoals dat bij Aktaion moest zijn gebeurd. En hoe graag ik me ook van dat beeld af wilde wenden, het lukte niet. Het geluk van een familieleven hield me gehypnotiseerd gevangen. De moeder riep de kinderen en voegde zich daarna met de volle bekers bij de vader. De jongen keek op, liet zijn spel bij het riviertje los en lachte. Het meisje opende haar ogen, keek mij tersluiks aan en ging daarna bij haar familie zitten. Ze praatten en lachten, maar ik kon niet verstaan wat ze zeiden. Geluk lag daar tastbaar voor me, maar het was een illusie dat ik daaraan deel zou kunnen nemen.

 

‘Grussgott.’ Ik dacht aan het gouden licht van Casper David Friedrich.

-5-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon