Hoofdstuk 1

-7-

De ober keerde terug met onze bestelling. Hij zei niet veel en wat hij zei, verstond ik niet. Voorzichtig zette hij de taartjes en de dampende thee voor ons neer, waarna hij geruisloos verdween. Zwijgend staarde ik hem na en ik vroeg me af of hij nog een vader had.

 

‘Misschien wel, maar misschien ook niet. Daar gaat het ook eigenlijk niet om.’ Mama bleef heel rustig.

‘Oké, en waar gaat het dan wel om?’ Mijn irritatie sloeg om in sentiment en de tranen die ik verborgen wilde houden, drukten steeds dwingender tegen mijn oogleden. Je kon niet zomaar vergeten wat je had gezien, die les had ik inmiddels wel geleerd.

‘Het gaat erom dat we het gemis durven te aanvaarden en de pijn durven te omarmen. En niet alleen dat.’ Ze laste opnieuw een pauze in en prikte met haar vorkje in de apfelstrüdel. Ik keek naar die van mij, maar had er nog altijd geen zin in. Onaangeroerd liet ik het voor me op tafel staan en gelaten keek ik de stube rond.

‘Het gaat erom dat we vrede hebben met wat ons overkomt. Het heeft geen zin om ons te verzetten, dat levert toch niets op. Heb het noodlot lief, ook al lijkt dat vooruitzicht nog zo naar.’ Ze sprak het uit alsof ze een broodje bij de bakker bestelde, daarna nam ze een hap van de strüdel.

 

Maar zo simpel was het niet. Het noodlot was geen broodje en ook geen taartje. Zo’n voorbestemming kon ik niet accepteren. Daar in die stube was het eerste moment waarop ik haar had willen zeggen dat ik het had gezien, de eerste keer dat ik wilde vertellen dat ze helemaal geen geheim bezat, al was ze daar nog zo van overtuigd. Zij was Artemis geweest en ik Aktaion, want hoewel ik het allemaal bij toeval had aanschouwd, had ik het wel aanschouwd. Verzet was in haar ogen dan misschien wel zinloos, in die van mij was het dat niet. Voor het eerst wilde ik het bekennen, maar ik kreeg de kans niet. Ze bleef me streng aankijken, hief haar vinger en gebood me over haar woorden na te denken. En nog voordat ik probeerde te reageren, kneep ze al in mijn hand die ze nog altijd op tafel gevangen hield.

‘Ik wil je reactie graag horen, maar pas als we weer in Solalex zijn. Denk eerst maar eens goed na over wat ik heb gezegd.’ Toen liet ze me los.

 

De krijs van de meeuw bracht me terug. Het was alsof met die schelle schreeuw mijn herinneringen uit mij werden gedreven. Alles wat ik had meegemaakt, werd uit mij weg getrokken en wat er van mij overbleef was een omhulsel van een mens zonder verleden, een holle behuizing zonder enige betekenis of identiteit. Een peilloze diepte dook aan alle kanten op en alles werd inhoudsloos. Plotseling werd het stil. Heel stil. Stil, stil, stil. Ik versteende. De wereld versteende. De tijd versteende. Het leven belandde in een mistwolk. Er was geen voor meer en geen na, er was geen beweging. Alles viel samen in het moment en het moment was niets. Een vacuüm in de tijd. Het maakte niet langer uit wat ik vond of wat ik dacht. Het was wat het was, bestendig, onveranderbaar. En alle fragmenten die overbleven, kleiner nog dan het oog waar kon nemen, vielen naar de krochten van een grondeloze diepte.

 

Krampachtig en verbeten had ik gestreden om mijn wereld bijeen te houden, maar die strijd bleek zinloos, want aan het noodlot kon je blijkbaar niet ontkomen. Ik viel uiteen en deed geen moeite meer om het tegen te gaan. Het ontbrak me niet aan de wil, ik was er gewoon niet toe in staat. Een bittere kou kroop vanuit mijn voeten naar boven en baande zich een weg door mijn lichaam dat langzaam verstijfde. Mij ademde de lege ruimte in het gezicht en besef en berusting waren ijskristallen die mij verlamden. Terwijl alle materie transformeerde tot niets, kon ik slechts nog met de rede kijken naar een persoon die buiten dat proces om voor mij bleef te staan. Een vrouw, een bevroren moment. Het moment dat ik haar voor het eerst zag of eigenlijk zag ik haar niet, ik beleefde haar. Maar ik snapte er niets van en had geen idee wie ze was.

 

Zij leek de kiem, het begin van alle leven. Zij leek het gouden licht van Casper David te zijn, de lumineuze pracht waarnaar ik wanhopig had gezocht. Even plotseling als onverwacht openbaarde ze zich, en oog in oog met de oorsprong bleef ik als gevangen staan. Begrippen als de vrije wil of het lot werden fragmenten van fragmenten en vervaagden in het grondeloze niets. De theorieën waarover mijn moeder met hartstocht had gesproken, kregen een andere invulling, leken plotseling tastbaar maar vlak. De achterdocht verdween, mijn onwetendheid verdween. Ik snapte hoe de wereld in elkaar stak en voelde mij er niet langer vreemd. Voor één ogenblik was het alsof ik het grote geheel begreep. Voor één moment. Verstard en verstijfd zag ik hoe de doffe glans, de mistige wolk die altijd over de buitenwereld heen had gehangen, onverhoeds verdween. Niet gedeeltelijk en in stukjes van stukjes, nee, de overgang was totaal.

-7-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon