Hoofdstuk 1

-4-

Ik dacht dat ze me duidelijk wilde maken dat ik mijn vader nooit meer zou zien, maar dat wist ik niet zeker. Haar ernaar vragen durfde ik niet, want de vragen naar mijn vader eindigde altijd in onenigheid.

‘David Friedrich heeft dat heel zorgvuldig uitgebeeld.’ Ze wees weer naar de monnik. ‘We zien datgene wat voor hem ligt, een onheilspellende toekomst waarvan hij nooit kan weten wat die in zich draagt. Maar niet weten is niet hetzelfde als niet voorbereid zijn. Hij moet begrijpen dat de dingen eindig zijn, dat hij niet altijd maar door kan gaan. Hij moet begrijpen dat alles een keer stopt, dat er wetten zijn waarop hij geen invloed uit kan oefenen. Dat is wat hij moet doen, de monnik, dienaar van God.’ Ze kneep zacht in mijn arm om me bij de les te houden. ‘Kijk’, ging ze verder. ‘Hier. De kleuren die hij gebruikt zijn mat en grauw, maar toch is er sprake van een soort licht dat daar doorheen breekt.’

Nieuwsgierig boog ik voorover. Was er verlichting?

‘Dat komt omdat deze schilder in het goddelijke gelooft en het is God die door dat licht wordt gesymboliseerd.’

Ik knikte en zette opnieuw grote ogen op, maar dit keer omdat ik het begreep. Ik zag dat goddelijke de grauwe tinten doorbreken en dat gaf mij hoop. Maar voordat ik dat kon zeggen, zei ze dat ik voor zulke denkbeelden nooit mocht vallen. Een houw door het bestaan. Bruusk deelde ze mee dat het idee van God bedriegend was. Ze vergat te zeggen dat ik door mijn goedaardigheid gemakkelijk was te misleiden. Dus ook door haar. Kleine misleidingen konden tot leiden tot gebroken beloften, maar dat kwam niet ter sprake.

 Dus zweeg ik en zakte ik weer terug in haar arm. Ik vond juist dat God hoop en betekenis bood en waarom zou ik mezelf dat ontnemen? Zoals ik het haar niet durfde te vragen, durfde ik haar dat ook niet te zeggen.

 

Het panorama van de kust was gevuld met het geluid van de storm, het bulderen van de zee en het gekrijs van meeuwen. Er kringelde een hele meute rondom elkaar, witte vlekken onder het grijze wolkenpak. Op de grond was het verlaten, bijna desolaat, leger dan de leegte in de verregende straten van Caillebotte. Pas aan het einde van de horizon was er enige beweging te zien. Contouren van een schim, omlijning van een persoon zonder identiteit. Verder, zo ver je kon kijken, slechts schuimende golven die zich stuksloegen op het land. Ik snapte dat ik nooit mijn plek zou kunnen vinden in deze wildernis. Ik snapte dat ik door de wereld moest blijven dwalen, niet wetende waar het lot me naartoe zou brengen. Oneindige mateloosheid. Vergeven verlatenheid. Het uitzicht weerspiegelde de eenzaamheid die ik zo vaak had gevoeld, maar de hoop liet ik me niet ontnemen.

Ik draaide mijn rug naar de wind en haalde mijn pakje sigaretten tevoorschijn. Omdat het zo koud was, was het lastig om er eentje te pakken en toen dat eindelijk was gelukt, bemoeilijkte de harde wind het opsteken ervan. Roken was fijn, ik inhaleerde diep. De rook gleed langs mijn wang naar de grauwe hemel waar één meeuw zich had afgezonderd van zijn groep. Onder de grijze wolkenband zweefde het grauwwitte beest sierlijk op de wind. Ik bewonderde hem en had tegelijkertijd met hem te doen. We leefden in een wereld die hetzelfde was, maar tevens zo verschillend. Ik bekeek het leven vanaf de grond, terwijl hij een prachtig overzicht over het landschap had. Mooi misschien, maar wat had je daaraan wanneer je slechts leefde in het moment? Wat had je aan een groter geheel wanneer het leven nooit verder ging dan het hier, dan het nu? Wat had je eraan wanneer het leven niet verder ging dan een ‘vué instantané’?

De golven beukten eentonig door en doorbraken die versteendheid. Maar toch hielden ze me niet hier. Ik verliet het ontredderde strand en keerde terug naar het einde van mijn verjaardag. Toen ik in bed lag en mijn moeder me welterusten kwam zeggen, vroeg ze of de bergschoenen goed waren gekeurd. Ik dacht aan wat we hadden beleefd en knikte voldaan. Na al die indrukken vielen mijn ogen al bijna dicht, maar gelukkig kon ik haar nog net verstaan.

‘Mooi, dan kunnen we van de zomer met een gerust hart naar Villars.’

 

Hoe meedogenloos kan het lot toeslaan? Aktaion die per ongeluk op een schouwspel was gestuit, niet voornemens geweest om Artemis te bespieden. Hij wist niet dat ze bestond en kon onmogelijk naar haar schoonheid hebben verlangd. De jager had haar per ongeluk gezien en was niet in staat geweest om het kuise bad van de jachtgodin de rug toe te keren. Hij kon haar niet vangen, dus liet ze zich niet vangen. Zijn blik werd geboeid door haar ongekende schoonheid, maar mocht je hem dat kwalijk nemen? Zij was daar. Zij was daar ineens.

De zeewind raasde gejaagd over het strand. Ik draaide mij om en liet de meeuw voor wat hij was. Het toeval had ervoor gezorgd dat ik verliefd was geworden op de bergen. Het toeval had de toekomst in een specifieke richting gestuurd en ik vroeg me af of God mijn verlatenheid had gevoeld. Ik vroeg me af of het God was geweest die zijn licht door mijn wereld had geduwd. Dat hij het haar had ingefluisterd, zonder dat ze zich daarvan bewust was. Want was mijn moeders keuze om mij bergschoenen te geven beslissend geweest voor het verloop van mijn leven? Ik wist dat ze het ook niet had kunnen doen. Wat als ze me een surfplank had gegeven en we op vakantie naar zee waren gegaan?

-4-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon