Hoofdstuk 1

-3-

Ik deed de uiteinden van mijn sjaal in mijn jas en sprong net als toen in de voorgevormde stappen naar beneden. De wind suisde langs me en ik beeldde me in dat ik weer dat kind was. Als het ware stapte ik in de voetsporen van het verleden. Ik kon mijn moeders theorieën lang niet altijd volgen, maar voelde me toch geborgen. Verlaten, niet thuis in deze wereld, maar niet verloren. Haar moeilijke lessen die langs me raasden, werden verwarmd door de veiligheid van een liefde die ik nooit zou verliezen. Dat had ik toen net zo zeker geweten als nu, ik had het immers gewenst. Eenmaal op het strand liep ik buiten adem naar de vloedlijn en door de grootsheid van de natuur waande ik me gelijk aan die monnik op dat schilderij. De kaften van de kunstboeken, de veiligheid van de plank. Die zou daar ook wel voor altijd blijven.

 

Na die strandwandeling was mijn verjaardag nog niet voorbij. De parkeerplaats was nagenoeg leeg, de groene Volvo stond eenzaam op ons te wachten. Ze nam me nog mee naar het pannenkoekenhuis en dat was een goed idee. Ik wilde buiten zitten, maar zij wilde liever naar binnen want de schemer diende zich aan en die bracht kou met zich mee. Ik gehoorzaamde gedwee. Binnen waren de vensters voorzien van geblokte gordijntjes waarlangs de lichtstralen zwaar naar binnen tuimelden. Het viel me nauwelijks op dat ze haar pannenkoek bijna onaangeroerd had laten staan, terwijl ik hem zo op had. Ik had er niet naar gevraagd, hoopte enkel maar op het mooiste scenario. Eenmaal thuis gingen we inderdaad op de bank met één van de kunstboeken zitten. Het verlangde voltooide zich, de mooie momenten van het leven. Ik kroop tegen haar aan en zij zette haar onnavolgbare theorieën uiteen. Die avond vertelde ze dat de hoge lucht boven de eindeloze zee bij haar een gevoel van verwarring had opgeroepen. Ze had een boek gepakt met schilderijen die dat soort gevoelens vertaalden en ze zou me laten zien wat ze bedoelde. Ik keek gespannen naar haar vinger die over een plaatje van een schilderij van Casper David Friedrich gleed.

‘Oneindig en eindeloos. Kijk maar hier, een werk van deze Duitse romantische schilder die goed de thematiek van de onbestemdheid vertaalt.’

Ik keek met haar mee en genoot van de geheimzinnige klanken van die woorden. Oneindig en onbestemd, het tipte aan mijn gevoelens van verlatenheid. Was ik dan toch niet verloren? Ze wees naar een piepkleine schim aan de vloedlijn, de grote ruwe zee daarachter en de kolossale onheilspellende lucht daarboven. Hoewel het me beangstigde, werd ik er door aangetrokken. Ze vertelde over het onderscheid tussen ‘mooi’ en ‘subliem’, waarbij het sublieme volgens haar afweek van het mooie door de mateloosheid die in het laatste lag opgesloten. Ik dacht aan de eenzame vrouw met de parasol en snapte er niets van, voor sublieme mateloosheid was ik waarschijnlijk nog te jong. Maar ik zweeg en luisterde zo goed mogelijk want ik wist dat ze het me niet zomaar vertelde, want zo was mijn moeder ook. Misschien heeft ze het toch geweten.

‘Kijk eens naar dat kleine mannetje dat veel te klein is voor de overweldigende wereld. Het is een monnik. Daar, dat kleine stipje zie je hem? Zie je dat zo’n klein figuur zich in de meedogenloze natuur onmogelijk staande kan houden, hoezeer hij het ook probeert?’

‘Ik vind het een beetje eng’, bekende ik, want ergens meedogenloos aan overgeleverd worden leek me een angstig vooruitzicht.

‘En dat komt omdat je een kind van je moeder bent.’ Ze gaf een knipoog. ‘Weet je waarom je het eng vind?’

Ik haalde mijn schouders op, bang om mijn ware gezicht te laten zien, somber en bewolkt. Bang om een fout antwoord te geven.

‘Misschien komt het wel hierdoor.’ Haar vinger gleed van dat kleine mannetje naar de wolken en de zee. ‘Kijk, de natuur is veel te imposant voor ons luttele mensen om te kunnen begrijpen. Het gebeurt niet vaak, maar staan we eenmaal oog in oog met haar grootsheid, dan kunnen we in onze nietigheid daar overweldigd door raken.’ Haar vinger stopte maar haar woorden rolden verder. ‘En dat is precies waar jij een beetje bang voor bent. Het beeld dat Casper David Friedrich heeft gemaakt, is overweldigend en jij met je veel te grote inlevingsvermogen laat je daardoor vangen. Jij denkt altijd aan wat er allemaal kán gebeuren’ En terwijl haar woorden langsdreven als de onweerswolken in de hemel, probeerde ik mijn angst te begrijpen, maar als starre stam bleef ik verstoken in een zoektocht en voelde ik kruin noch wortels.

‘En dat geeft niet, dat geeft niet. Maar denk er wel altijd om dat we allemaal proberen om een houvast te vinden. Jij en ik, je leraren op school, je grootste plaaggeesten. En denk er ook om dat we allemaal proberen te geloven dat we het mooiste in ons leven kunnen behouden. Je vrienden en vriendinnen, de vrouw die plotseling opduikt aan de overkant van de straat, de ober in het restaurant. We willen controle hebben, maar die hebben we niet. De natuur is de baas, hoe vervelend we dat soms vinden.’

Ik keek haar met vragende ogen aan en dacht aan de schoonheid van de natte grauwe straat van Caillebotte. En ik dacht aan mijn vader die geen oog had voor zulke esthetiek.

‘Alles wat ontstaat, vergaat’, zei ze. ‘Alles zal uiteindelijk verdwijnen en ook al proberen we dat wanhopig te ontkennen, we zullen ons toch moeten verzoenen met de tijdelijkheid.’

-3-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon