Hoofdstuk 1

-2-

Ik herkende de parkeerplaats van het duinreservaat nog van die middag. Destijds stond het vol met auto’s en mijn moeder was blij dat ze nog een plekje had gevonden. Ik had daar geen oog voor gehad, was in de ban van mijn nieuwe schoenen en lette alleen maar daar op. Nu was alles anders. Toen ik de bocht door stuurde, zag ik maar één auto staan. Ik parkeerde ernaast en schakelde de motor uit. De stilte duwde de realiteit in mijn bewustzijn. Geen moeder en geen bergschoenen. In de weerspiegeling van het venster vond ik alleen mezelf terug in de auto. Er waren ook dingen hetzelfde gebleven. De groene Volvo bijvoorbeeld. Mijn moeders Volvo, die ik van haar had gekregen toen ik naar een andere stad was verhuisd, maar dat was alweer even geleden. Mijmerend over de vergane momenten haalde ik de sleutel uit het contact. Een schrapend geluid van metaal tegen metaal en daarna een stilte. Gelaten legde ik mijn handen op het stuur want blijkbaar was ik mijn tijd vooruit. In gedachten liep ik al over hetzelfde duinpad dat we toen hadden gekozen en ik vroeg me af of het allemaal ook zou hebben bestaan wanneer we er destijds niet waren geweest.

Behoedzaam stapte ik over de slagboom het pad op. Op mijn verjaardag was ik vooruit gerend en had ze me rustig gevolgd want mijn moeder liet zich nooit iets opleggen. Nooit. Nu was ik het die beheerst liep. Ik stopte mijn sjaal in mijn jas en lachte. Stappend door het rulle zand vond ik blind mijn weg naar het strand. De wind ruiste in de boomtoppen en ik begreep ineens dat zij dat ook moest hebben gehoord. De wereld was mooi als je er oog voor had, zelfs wanneer je zo verdrietig was als die vrouw met de parasol. Oneindige eindigheid. Voor eeuwig vergankelijk. Het was alsof ik mijn moeders warme hand weer op mijn schouder voelde. De hand die me gerust moest stellen. De hand die me gerust stelde. Haar gerimpelde huid met de donkere vlekjes.

 ‘Ouderdomsvlekjes. Die krijg jij ook nog wel.’ Haar stem vlakbij mijn oor. Voor de rimpels gaf ze geen verklaring. Ouderdom en vertrek leken onlosmakelijk met elkaar te zijn verbonden, maar bestonden ook naast elkaar. Ik kende de eenzaamheid die als een plaaggeest aan me bleef plakken. De werkelijkheid was gevangen door een onvervulbaar verlangen.

Ik vertelde niet waar ik aan dacht want dat durfde ik niet. Ik was nog nooit iemand tegen gekomen die zich in deze wereld zo verlaten voelde als ik, dus dat was op voorhand zinloos. Na een poosje liet ze mijn schouder los en haalde ze haar hand door mijn haar. Misschien heeft ze wel geweten wat er toen door mijn hoofd is gegaan, maar had ze er gewoon niets over gezegd. Misschien wist ze het ook wel niet want ze vroeg alleen maar of mijn schoenen goed zaten. Eenzaamheid kon ook mooi zijn, daar zelfs mee verbonden worden, net als dat geluk en deceptie konden worden gebundeld.

We wandelden langs een omgevallen boom. Terwijl ik gefascineerd naar de wortels keek, wees zij me op de donkere wolken die hoog boven ons door de hemel gleden. Langzaam. Behoedzaam. Zij vond dat prachtig en ik keek met haar mee, maar ik zag de schoonheid niet die zij wel kon zien. Ik ontworteld, zij met haar hoofd in de wolken. Plotseling tikte ze me op mijn schouder en rende ze bij me weg.

 

‘Jij bent hem!’

Ik aan de grond genageld terwijl zij door de wind werd gedragen. Verbaasd keek ik haar na.

‘Kom dan!’ Ze verschuilde zich achter de gevallen boom, zand en klei hingen in slierten langs de wortels. De kruin van dorre takken lag zielloos achter haar en keek mij troosteloos over haar schouder aan. In een wereld vol afbraak zag ik mezelf louter als een vluchtig verschijnsel. Ik was niet weggelegd voor het gewone leven, ik onderging hetzelfde lot als die boom. Maar die was ooit geaard geweest en had zich eens gelaafd aan de warmte van het bestaan. Ik niet, ik was als een stam zonder wortels of takken.

‘Pak me dan, als je kan!’

Ze kenterde mijn donkere denkbeeld en ik rende zo hard als ik kon, maar op mijn bergschoenen ging het niet zo snel. Ik kon haar niet tikken, dus liet ze zich tikken, want zo was ze ook. Lichtstralen verjoegen de duisternis en toen ik na ons spel haar hand had gepakt, vroeg ik me af of mijn gedachten de waarheid bepaalden of andersom. Verzonken in die overpeinzing klom ik met haar mee het duinpad op.

 

Na veel inspanning kwam ik boven op het duin. Het zand werd alsmaar ruller, maar de moeite loonde zich. Ik genoot van een uitzicht op de onstuimige zee die zover je kon kijken, overging in een donkere lucht. Een oneindig en troosteloos beeld dat me deed denken aan de schilderijen van Casper David Friedrich want naast het Impressionisme lazen we ook over de Romantiek. De plank met de boeken verscheen voor mijn geestesoog. De donkere kaft met de heldere letters naast de vlekkerige van het Impressionisme. De wind kreeg vrij spel en liet de uiteinden van mijn sjaal ruw langs mijn gezicht wapperen. Het was guur. Met de wang van mijn hand veegde ik langs mijn neus, net zoals ik dat toen had gedaan. De duin liep steil af naar het strand en ik kon een glimlach niet onderdrukken.

‘Ga maar’, had ze gezegd en ter ondersteuning had ze me een zetje in mijn rug gegeven. ‘Met die nieuwe schoenen gaat het makkelijk! Spring maar naar beneden tot je niet meer kunt, dan zie ik je wel ergens bij de zee.’

Ik tikte op haar arm en sprong weg. ‘Nu ben jij hem’, riep ik nog, maar waar ik op hoopte, gebeurde niet. Het was niet erg, alleen springen was ook leuk. Voor tikkertje spelen waren mijn nieuwe schoenen toch niet geschikt, voor afdalen wel.

-2-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon