Hoofdstuk 1

-1-

Slingers hingen aan de muur en op het aanrecht stond de taart met de kaarsjes, precies zoals ze de dag daarvoor had gezegd. Het was maar één nacht geweest, maar geheimzinnig genoeg had die toch een heel jaar naar de achtergrond verschoven. De dag was voor mij, dat had de aankleding wel verraden. Opsmuk en versiersel, een draperie over de realiteit. De enscenering van een in elkaar gedraaide werkelijkheid als gekunstelde realiteit. Slingers en kaarsjes. De kunst als spel met de schijn, die te hulp kwam wanneer de kennis mij omver wilde stoten, maar de vraag of kunst een taal was of een verbeelding van de werkelijkheid bleef gonzen op de achtergrond. De angst dat ik zou ontdekken dat het een leugen was en dat alles wat ik had gevoeld daardoor dus ook niet echt was geweest. Zoiets.

Het pakje op de eettafel in de achterkamer, dat was echt. De puzzels van mama maakten bijna nooit plaats voor iets anders, dat gebeurde alleen voor iets wat nóg belangrijker was. Het verjaardagscadeau was dat. Mijn verjaardagscadeau. Geen ornament of omkleedsel, het wás echt en het wás voor mij. Opgewonden liep ik er op af en bij elke stap nam mijn nieuwsgierigheid toe. Ik beroerde het en rook eraan, maar het droeg geen geur en de vorm verraadde niets. Er zat niets anders op dan wachten tot zij beneden was. Natuurlijk was ik veel te vroeg uit bed gegaan, dus dat duurde nog wel even. Besluiteloos stond ik voor de tafel, op zoek naar een woord voor mijn gevoel. Ik kon het niet benoemen maar het kwam nog het meest in de buurt van een mengsel van opgewektheid en pijn. Somber omdat het niet in tact was, opgewekt omdat het dat wel was. Maar wat was er nou echt? Ter afleiding haalde ik één van de kunstboeken van de plank. Een dikke.

Op de kaft gleed de stoom van een grote locomotief richting het glazen dak van een stationshal. Op de voorgrond overzag een spoorwegmedewerker de reuring bij de perrons en achteraan verhulde de dampen de contouren van een grote stad. Franse impressionisten. Verhalen die je telkens opnieuw kon bedenken, want ze vergleden toch weer naar die ene plek waar je er nooit meer bij kon, het verleden. Ongeduldig ging ik zitten bladeren en ongemerkt sloop het cadeau uit mijn gedachten.

Ik verloor me als zo vaak in beelden van Claude Monet en Gustave Caillebotte. Een vrouw met parasol die weemoedig stond te turen naar een onzichtbare oneindigheid, of een stel onder een paraplu, schuilend voor de regen in de natte straten. De beelden tilden me op en brachten me naar andere werelden, andere waarheden die ik verzon zonder ze te verzinnen. Ver weg of dichtbij, want dat maakte niet uit. Ik merkte niet eens dat ze al beneden was gekomen. Lachend stak ze haar hoofd door de deur.

‘Mijn jongen, twaalf jaar alweer! Gefeliciteerd grote man, wat gaat de tijd toch snel.’ Ze liep naar me toe en omhelsde me. We waren niet in Parijs en keken niet naar de oneindigheid. Haar warme liefde, die was zuiverder dan al het andere wat ik maar kon verzinnen.

Haar blonde haar viel tot op haar schouders. Haar blik liefdevol als altijd, en haar stem vlak bij mijn oor die werd gevolgd door een kus op mijn voorhoofd. Ik maakte me los want mijn ongeduld keerde terug. Snel verdween ik naar de keuken waar ik theewater opzette. Dromerig keek ik naar de damp van het water dat aan de kook werd gebracht. Reuring op het aanrecht, mijn cadeautje op de achtergrond. Ze riep vanuit de kamer dat ik de kaarsjes aan mocht steken. Geluk school in de eenvoud. Nadat ik de thee had ingeschonken en de taart op de salontafel had gezet, ging ik op de bank dicht tegen haar aan zitten. Ze had het dikke boek inmiddels opgeborgen, maar het liet me nog niet los. Ik dacht aan Caillebotte’s natte straat van Parijs waar ook zij ooit had gewandeld. Was Parijs hetzelfde geweest, wanneer mijn moeder daar niet had gelopen? En hoe zat dat met haar?

‘Blaas ze maar uit grote man en doe je wens.’

Ik wenste.

 

Nadat ze een slok had genomen en haar kopje terug op tafel had gezet, keek ik haar vragend aan. Ze woelde met haar hand door mijn haar en gaf me nog een kus op mijn voorhoofd.

‘Toe maar dan.’

Dat was mijn moment. Alsof ik naar een foto van mijn eigen verjaardag staarde, zag ik als het ware van bovenaf hoe ik mijn cadeau van tafel pakte en weer naast haar ging zitten. De tafel leeg, mijn handen vol en mijn moeder afwachtend op de bank. Even keek ik haar lachend aan en daarna ontdeed ik het zorgvuldig van het papier. Mijn hart bonsde in mijn keel, zo spannend vond ik het. Mijn moeder bleef rustig en toonde geen enkele emotie. Ook niet nadat ik het plaatje op de doos had gezien en met mijn blik opnieuw die van haar zocht. Zij bleef kalm, ik geenszins. Ik kon het bijna niet kon geloven.

‘Mijn eigen bergschoenen!’

Van vreugde maakte ik een dansje rond de salontafel, als ik kon kwispelen had ik het gedaan. Opgewonden haalde ik de schoenen uit de doos en ik liet mijn handen glijden over het groene gladde leer en de bruine ruwe veters. Terwijl ik ze bevoelde, zag ik mezelf terug in een schilderij van Claude Monet, staand op een berg, turend naar de horizon. Maar toen ik ze vervolgens wilde passen, hield mijn moeder me tegen. Ze legde haar hand op mijn knie en zei ze dat ik de schoenen niet zomaar had gekregen. Gespannen keek ik haar aan, bang dat ik ze weer in moest leveren, want hoe eenvoudig het leven ook kon zijn, geluk en deceptie lagen vaak gevaarlijk dicht bij elkaar.

‘Bergschoenen draag je namelijk in de bergen en die hebben we hier in Nederland helaas niet.’ Ze zweeg geheimzinnig en de spanning steeg. ‘Daarom is dit niet je enige cadeau’, zei ze uiteindelijk.

Ze wees naar de schoenen en gespannen hield ik mijn adem in. Ik dacht aan mijn visioen en voelde de wind al door mijn haren gaan.

‘In de zomervakantie gaan we ze in het echt bekijken! Ik heb een vakantiechalet in Villars gehuurd, zo’n Zwitsers huisje waarover ik je wel vaker heb verteld. En weet je, het ligt midden in de bergen. Als we daar dan zijn, dan gaan we wandelingen maken. Wandelingen in de bergen. Wandelingen met jouw nieuwe schoenen.’

Ik raakte nog niet los van het visioen waarin ik de oorzaak van mijn dromen leek te lezen. Trots trok ik ze aan en terwijl ik ze bewonderd in de spiegel bekeek, zag ik mezelf weer staan in een prachtig panorama. Dankbaarheid. Mijn moeder was de liefste persoon op aarde en ik hoopte vurig dat mijn wens uit zou komen.

 ‘Zo. En nu ga je je eerst aankleden want je moet zo naar school. Als je vanmiddag weer thuis bent, mag je ze aantrekken. Dan gaan we naar de duinen om ze te proberen, want het is wel belangrijk om te weten of ze goed passen.’

Een schooldag had nog nooit zo lang geduurd.

-1-

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon