SYLVIE EN CLAUDETTE

‘Kom op, je kan er toch wel iets van proberen te maken? Hij heeft ook wel gelijk toch? Het ís hier mooi en het ís hier rustig.’


‘Had ik geen gelijk dan? Het is hier inderdaad prachtig rustig. De rozentuin, de velden. Precies zoals hij zei, maar waar is hij? In die paar dagen dat we nu hier zijn is hij nog niet mee geweest. Geen één keer Clau. Geen enkele keer.’


Claudette overzag de kleurenzee die zich uitstrekte tot de zoom van de tuin. Legde een sierlijk schijnsel op de middag, hoe somber de woorden van haar zus ook klonken. De zon lichtte prachtig op door de traag bewegende bladeren, de bloemen bogen zachtjes in de lome lucht. Het zuchtje wind speelde lauw met hun zomerjurken. Ze dacht aan wat hun moeder had gezegd, toen ze al wel stervende was maar dat nog niet was te zien. Dat de verbeelding monsters maakt. Later in bed kon Claudette de slaap niet meer vatten, probeerde ze tevergeefs om niet te denken aan het monster van de dood.


‘Hij zit natuurlijk weer in zijn kamer, zogenaamd om de warmte te ontvluchten maar in werkelijkheid om verder te werken aan één van zijn dossiers. Alléén deze nog. Hoe vaak hij dat niet heeft gezegd. Nou ik kan je verklappen dat de rij van die dossiers eindeloos is. 


Claudette draaide haar gezicht van haar weg, probeerde te luisteren naar de moesachtige geluiden in de tuin. Een zachte mengeling van het buigen van het groen, de gedempte druk van hun stappen en de stilte in de bovenlucht. Zo moest het ongeveer zijn waar moeder naartoe was gegaan. Maar hoe mooi dat ook klonk, die verbeelding bleef een gedrocht. 


‘Geef hem toch even’ Ze antwoordde zonder haar zus aan te kijken, liep verder naar de rand van de tuin. De binnenkant van haar hand gleed over de blankwitte toppen van het barse fluitenkruid. 


‘Hij kijkt niet naar ons om en dat zal zo blijven, dat weet je toch zelf ook wel. En wij? Wij zitten de hele zomer hier opgesloten, kunnen slechts wachten in deze slome doodse uithoek.’

Pierre-Auguste Renoir, ‘Conversation in a Rose Garden’ 1876

De witte bloemen bogen mee onder haar hand, veerden krachtig terug en trilden langzaam naar hun natuurlijke positie. Claudette hoorde Sylvie gelaten aan, haar teleurstellingen vermomd als feiten. ‘Ik laat me hier niet opsluiten in die tuin hoor. Even verderop ligt Bougival, daar is vast wel iets te doen. En anders kunnen we gaan varen of zwemmen.’


‘En Marcel?’


‘En Marcel wat?’ Haar wangen kleurden rood en ze wilde niet dat Sylvie dat zou zien. Bloosde ze uit schaamte of uit medelijden? Ze wist het niet. In die drie dagen hier had ze hem helemaal niet gemist.


‘Een zomer zonder Marcel, dat is toch lang?’ Sylvie frummelde aan haar zomerjurk en keek haar zus mistroostig aan. 


Claudette haalde haar schouders op. ‘Ik ga er gewoon het beste van maken, mét of zonder jou.’ Ze wandelde tot de zoom, zag tussen de struiken de fonkelende Seine. 

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon