De doffe camee

De statige gebouwen aan de straatrand vervaagden in de heiige lucht van vergetelheid. Een levendige stad veranderde in een koude stad en de warmte die hij hier ooit had gevoeld, bekoelde meer en meer. Het aangename diende zich af en toe nog aan, kwam en verdween. Het was niet meer dan een geluk dat zich soms nog door de oppervlakte van de ijzige laag van het bedrog heen wist te drukken. Die korte momenten waren niet langer in staat om de kou van de leugen te verdrijven, bezaten slechts nog de kracht van een nagalm.

 

Iets van vroeger liet weten dat het ooit had bestaan, maar enkel nog levenloos en ontzield. De warme liefde werd steeds verder verdreven door de ijskoude leegte van een lust. Je kunt de werkelijkheid bedotten, stil een schijn in stand houden, maar kan je zo de dagen tot het einde van het bestaan doorkomen? De weerschijn van de realiteit had reeds alle glans verloren. Een stad vol liefde was niets meer dan een anonieme gevoileerde eenheid van elementen die in het ijle zonlicht verward vervaagden. Stalletjes, mensen, gebouwen, de stad ademde alleen nog haar liefde als een echo uit, kloppend en onregelmatig. Het was een verwond hart dat wanhopig stand hield, terwijl het wist dat het niet meer beter kon worden.

 

Het haarscherpe verleden lichtte zo nu en dan op tussen flarden van gesprekken. Soms vielen daar wat woorden uit die hem herinnerden aan wat ooit was. Ze kronkelden voor zijn voeten en dat stapte hij er voorzichtig omheen. Plotseling dacht hij aan de camee dat glinsterend had geblonken in de middagzon.

 

‘Met jou wil ik samen oud worden’, hoorde hij zichzelf weer zeggen. Ze glunderde en hij kon zijn ogen niet van haar afhouden. Zonnestralen verwarmden zijn huid, maar de straling in haar ogen zette hem in vlam.

 

De drukke boulevard vergrootte het contrast met het verleden. Verloren liep hij langs de stalletjes en de anonieme gesprekken gleden langs hem heen. Het sieraad van hun geluk was dof geworden, de toekomst grauw. Ze hadden hier verliefd gelopen, terwijl zij nog geen weet had van de donkere wolk aan de horizon.

 

'Later, wanneer we heel oud zijn, wil ik hier weer met jou slenteren. Dan vertel je me hoe we reikhalzend naar de toekomst keken die dan inmiddels tot het verleden behoort.’

 

Verdrietig kuste hij haar. Zij kon de kou in die zoen nog niet voelen, omdat de waarheid nog achterbleef bij de leugen. Hij hoopte dat hij diezelfde waarheid nog een andere kant op kon sturen, en zo het geheim van zijn bedrog stiekem te lozen waardoor het hun liefde niet aan kon tasten.

 

Ze bleven staan voor een bloemenstalletje. Hij kocht een roos, zij keek zwijgend toe. De camee op haar hals glansde in de middagzon. Terwijl ze met gesloten ogen de bloem aanpakte, verzoende hij zich met de illusie dat de leugen op een dag zou zijn verdwenen en zij nooit wetenschap hoefde te hebben van zijn ontrouw.

MONET, Claude
Boulevard des Capucines
1873
Oil on canvas, 80 x 60 cm
Nelson-Atkins Museum of Art, Kansas City

  copyright © Erik de la Porte (2019)   erik.delaporte@gmail.com

  • Facebook Social Icon
  • Twitter Social Icon
  • Instagram Social Icon